Ik mag er zijn….. en jij ook!!!!!

“Ik mag er zijn….. en jij ook!!!!!” is een gids voor ouders en begeleiders van kinderen van 0 tot 14 jaar. Eigenlijk is het een werk- en doemap, want er staan tien basisoefeningen in beschreven die je kunt doen met kinderen.

Een artikel over deze werk- en doemap met een paar oefeningen is verschenen in JSW (Jeugd in School en Wereld, februari 2004).

De gids is niet meer als map verkrijgbaar. De tekst van deze gids staat nu hieronder.

Copyright 2003: Diana Koornstra
Copyright illustraties 2003: Anke van Dijk

Over deze gids

Deze gids is bedoeld voor alle begeleiders van kinderen: ouders, leerkrachten, therapeuten, artsen en verzorgers. In deze gids vind je oefeningen om te gebruiken in de praktijk, op school, thuis of waar je maar wilt. Ze zijn bedoeld om bewuster om te gaan met jezelf en met anderen.

De oefeningen doe je samen met het kind of de kinderen doen de oefeningen samen. In opleidingen voor begeleiders van kinderen kunnen de oefeningen natuurlijk ook gedaan worden. De oefeningen doe je altijd met z’n tweeën.

Kinderen en volwassenen bepalen hun eigen grenzen; ze hoeven dus niet altijd alle oefeningen mee te doen. Op zo’n moment kan diegene dan iets voor zichzelf gaan doen, terwijl de anderen de oefening doen. Kinderen kunnen zelf kiezen voor herhaling van de oefeningen.

De begeleiding

De oefeningen zijn basisoefeningen. Je kunt ze gemakkelijker of moeilijker maken en ze aanpassen aan de leeftijdsgroep waarmee je werkt. Hou het in begin zo veilig mogelijk, dat betekent meestal dat kinderen elkaar uitkiezen om samen een oefening te doen. Als er wat ervaring is opgedaan, kun je de deelnemers er zelf creatief mee om laten gaan. Hebben ze ideeën over hoe de oefening ook gedaan kan worden? Of laat ze bijvoorbeeld ook een keer iemand kiezen met wie ze niet graag spelen of liever geen oefening willen doen.

Natuurlijk hou je goed toezicht tijdens de oefeningen. Let erop dat iedereen mag voelen wat hij voelt en dat daarvoor respect getoond wordt. Vooral ook als iemand iets echt niet wil. Als er emoties naar boven komen, kan ontladen nodig zijn. Boos zijn mag, je kunt het bijvoorbeeld uiten door op een kussen of matras te slaan. Uithuilen mag ook, net zolang totdat je weer helder kunt denken.

Plak geen oordelen van goed of slecht op wat er gebeurde tijdens de oefeningen. Vertrouw op dat wat je voelde en probeer dat te verwoorden door het op te schrijven. Probeer geen gevoelens aan een ander op te leggen.

Kun je zelf vertellen wat het nut is van de oefening? Kunnen de deelnemers dat? Ook daarover kun je van mening verschillen. Dat is juist het leuke van deze oefeningen. Het gaat er niet altijd om wat het doel is, maar wat je ermee doet.

Je kunt de oefeningen uitbreiden door ze te gebruiken in bepaalde situaties. Bijvoorbeeld als er problemen zijn. Er alleen maar over praten lukt niet altijd en geeft vaak niet het beoogde resultaat. Problemen kun je ook aanpakken door er een oefening “omheen” te doen. Je kunt voor of na de oefeningen ook een verhaal voorlezen dat bij het onderwerp past of zelf een verhaal verzinnen.

Hou bij wanneer je welke oefening hebt gedaan en schrijf eventueel evaluatieformulieren.

Aan de hand van deze evaluatieformulieren kun je na een paar maanden een verslag schrijven, met o.a. hierin verwerkt je verwachtingen, doelen, resultaten en eventueel de eindopdracht.

Oefening 1 – Ik ben anders dan jij

Oefening:

Bedenk drie dingen waarom jij anders bent dan de ander.

Vraag:

Waarom ben jij anders dan de ander?
Wat zijn de verschillen?

Tip:

Let niet alleen op kleding en zo. Maar ook wat je ergens van vindt.
En hoe je je voelt als er iets gebeurt.

Toelichting:

Wij zijn allemaal verschillend. Niemand is hetzelfde en dat is oké.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 2 – Ik wil dat je me aardig vindt

Oefening:

Bedenk drie dingen waarom je de ander aardig vindt.

Vraag:

Doe jij aardig tegen de ander?

Tip:

Zeg iets aardigs tegen de ander.
Wat vindt de ander daarvan?
En wat vind je er zelf van?

Toelichting:

Als ik aardig doe tegen iemand, heb ik meer kans dat hij ook aardig doet
tegen mij.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 3 – Mag ik voelen wat ik voel?

Oefening:

Bedenk iets waardoor je je vrolijk voelt.
En iets waardoor je je verdrietig voelt.
Bedenk ook iets waardoor je je boos voelt.

Vraag:

Mag je dat allemaal voelen?

Tip:

Bedenk alleen wat je er zelf van vindt, niet wat je vader of moeder of je vrienden ervan zouden vinden.

Toelichting:

Als ik mag voelen wat ik voel, dan mag de ander ook voelen wat hij voelt.
Iedereen mag voelen wat hij voelt.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 4 – Kan ik naar jou luisteren?

Oefening:

Jij vertelt wat je het liefste doet en de ander luistert naar jou.

Vraag:

Luistert de ander echt naar jou?
Kijkt hij je aan?
Heeft hij gehoord wat je hebt gezegd?

Tip:

Doe de oefening twee keer.
De ene keer luister je echt naar de ander en kijk je hem aan.
De andere keer kijk je naar de dingen die om je heen gebeuren.
Hoe voelt dat voor jou en voor de ander?
Als je de oefening vaker doet, kun je elkaar over van alles vertellen.

Toelichting:

Echt luisteren maakt voor de ander en voor jouzelf een groot verschil als je echt contact wilt.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 5 – Weet je wat ik denk?

Oefening:

Denk heel sterk aan iets wat er gebeurd is wat je niet leuk vond en laat de ander raden waaraan je denkt.

Vraag:

Denk je dat de ander je gedachten kan lezen?
Kan een ander jou begrijpen als je hem niet vertelt wat er aan de hand is?

Tip:

Ga ervan uit dat de ander niet weet wat er met je aan de hand is.

Toelichting:

Als je wilt dat de ander rekening houdt met wat je voelt, zul je hem dat wel moeten vertellen.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 6 – Ga maar sterk staan

Oefening:

Laat de ander stevig op zijn voeten staan en probeer hem voorzichtig om te duwen.

Vraag:

Sta je stevig en voel je je sterk?
Of ben je zo om te duwen?

Tip:

Laat je kaken los, voel je voeten stevig vastgeplakt op de grond en denk aan je buik.
Je kunt je ook voorstellen dat je een boom bent met wortels in de grond.

Toelichting:

Als je leert om sterk te staan, voel je je ook sterker.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 7 – Verken je ruimte

Oefening:

Doe een blinddoek voor en laat je leiden door de ander.
Die helpt jou de ruimte te verkennen.

Vraag:

Hoe voelt het om niets te kunnen zien maar om wel te kunnen voelen?
En hoe is het om je door de ander te laten leiden?

Tip:

Laat de ander verschillende dingen voelen en ervaren.

Toelichting:

Als je de ruimte om je heen hebt gevoeld, kun je je eigen plek in de ruimte innemen en voelt het vaak anders.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 8 – Stel je grenzen

Oefening:

Sta tegenover elkaar en laat de ander langzaam en voorzichtig stapjes in jouw richting zetten.
Jij mag zeggen wanneer de ander te dichtbij komt.

Vraag:

Wat zijn jouw grenzen?
Hoe dichtbij mag de ander komen?

Tip:

Voel ook eens hoe het is als de ander te dichtbij komt.
En doe dan zelf een stap opzij of naar achteren.
En doe de oefening ook eens met de ogen dicht!

Toelichting:

Jij bepaalt je eigen grenzen, dus probeer ze te voelen.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 9 – Samen zijn

Oefening:

Kleur samen een mooie kleurplaat in of maak samen één tekening.

Vraag:

Hoe vind je het om samen te werken en samen te zijn?

Tip:

Kleur ook eens samen met één kleurpotlood tegelijk.
Of je kunt ook eens samen kleien.

Toelichting:

Samen spelen is ook samen werken.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Oefening 10 – Vertrouw op jezelf

Oefening:

Bedenk drie dingen die goed zijn voor jou om te doen.

Vraag:

Is dat wat goed is voor jou ook goed voor de ander?

Tip:

Om beter te voelen, leg je je hand op je buik en zeg je
“Het is goed voor mij om ……”

Toelichting:

Als je voelt wat goed voor jou is, kun je op jezelf vertrouwen.
En de ander kan ook zelf bepalen wat goed is voor hem.

Evaluatie:

Met wie is de oefening gedaan?
Wat viel op?
Wat kan de volgende keer anders?
Wat vond je er zelf van?

Eindopdracht

Deze eindopdracht kun je doen als je de oefeningen één of meerdere keren hebt gedaan.
Met jonge kinderen kun je de eindopdracht bespreken.
Aan oudere kinderen kun je de eindopdracht bijvoorbeeld in de vorm van een opstel geven.
Op school kun je de opdracht ook in de groep bespreken.
Per keer kun je één of meer zinnen geven.

Vul de volgende zinnen aan:

1. Als ik anders mag zijn dan jij, dan . . . . .

2. Als jij me aardig vindt, dan . . . . .

3. Als ik mag voelen wat ik voel, dan . . . . .

4. Als ik naar jou kan luisteren, dan . . . . .

5. Als ik wil dat jij me begrijpt, dan . . . . .

6. Als ik me sterk voel, dan . . . . .

7. Als ik me veilig voel, dan . . . . .

8. Als ik mijn grenzen weet, dan . . . . .

9. Als wij samen zijn, dan . . . . .

10. Als ik op mezelf vertrouw, dan . . . . .

Je mag natuurlijk altijd zelf nog andere (eind-)opdrachten verzinnen.
De eindopdrachten kun je in je verslag verwerken.

Verslag

Hou bij wanneer je welke oefening hebt gedaan en schrijf eventueel evaluatieformulieren.

Aan de hand van deze evaluatieformulieren kun je na een paar maanden een verslag schrijven, met o.a. hierin verwerkt je verwachtingen, doelen, resultaten en eventueel de eindopdracht.